Built with Berta.me

  1. De drang naar een concreet bewustzijn en het verreiken van onze horizon is iets wat ons definieert als mensheid. Er zal altijd een bepaald onverzadigbaar verlangen heersen naar het idee dat er meer is dan alles waar we inmiddels vertrouwd mee zijn. Hoezeer we ons eigen voorstellingsvermogen ook de vrije loop kunnen laten gaan, we blijven toch altijd achter met een gevoel van machteloosheid over de veronderstellingen die we niet voor onszelf kunnen legitimeren omdat we ze niet kunnen concretiserenDat is althans wat de bodemloze leegte, waarin het vatbare zicht oplost in het niets, suggereert en dit gevoel ontstaat puur vanuit het verlangen om niet te willen toegeven aan het idee dat alle feitelijke kennis waar we over beschikken een volledig bevredigende invulling van ons bestaan te bieden heeft. Het is het drukkende gevoel van een onbestemdheid die ons aanzet om zelf op zoek te gaan naar zingeving 

     

    We worden binnen ons collectief bewustzijn begrensd door onszelf, daar ben ik stellig van overtuigd. Het opzoeken en overschrijden van deze grens is echter iets wat onbegonnen werk is, omdat deze ver buiten ons bereik ligt. Daarom kunnen we nooit met concrete zekerheid vaststellen door welk groter geheel die grens zou lopen, en vooral wat er aan de andere kant zou kunnen zijn. De horizon, verdwijnpunten, doorgetrokken lijnen die als wegen naar zo’n verdwijnpunt leiden; het is allemaal vastgelegd door de eeuwen heen en biedt ons een ingang om onze visuele perceptie te formaliseren. Maar wat zijn deze punten precies? Neem een oneindig lange rechte weg, die tot het verdwijnpunt naar de horizon reikt. Dit verdwijnpunt bestaat alleen in onze visuele waarneming, en staat in die zin vast vanuit elk specifiek standpunt, maar elk standpunt heeft haar eigen verdwijnpunt. Het staat dus niet vast vanaf het moment dat we ons verplaatsen en als je de weg afloopt verplaatst dat punt zich evenredig met de afstand die je aflegt. In die zin is het dus een punt wat je ziet maar er niet daadwerkelijk is en wat je ook nooit zal bereiken, net zoals de horizon zelf. Het is daardoor een idee, iets fictiefs, een suggestie naar een gedachte die beredeneerd wordt vanuit de formalisering van onze visuele waarneming, het lineair perspectief. 

     

    Deze uiteenzetting van het lineair perspectief oppert een tweedeling van sferen in een profane en een sacrale vorm. Het profane aspect is dat van de mens en het strikt rationele kader waarin de waarneming, en daarmee ons eigen leven geplaatst wordt. Terwijl het sacrale vanuit de bovenstaande beredenering juist inspeelt op het filosofisch kader waarbinnen we ons als mens nietig tegenover het idee van eeuwigheid plaatsenOm nog een stap verder te gaan kun je stellen dat het profane en sacrale uit bewustzijn en onbewustzijn bestaat, waardoor je vervolgens kunt zeggen dat ons bewustzijn reikt tot waar onze waarneming, en daarmee ons voorstellingsvermogen, toe in staat is. Immers, als we de horizon vergelijken met de meer abstracte grens van ons bewustzijn, en we die constant voor onszelf uit blijven schuiven, wat bevindt er zich dan aan de andere kant? Het antwoord hierop kan daadwerkelijk enkel en alleen een idee zijn, een gedachte die zich beroept op alles wat we weten en zien. Misschien ligt de oorsprong van het antwoord wel meer in datgene wat we niet zien of begrijpen en wat alleen suggestief aanwezig is binnen de waarneming en het kader waarin we die automatisch plaatsen. 

     

    Het enige werkelijke antwoord wat hier dus algemeen kan gelden is een vraagteken omdat alles wat we weten en zien zich al aan onze kant van de horizon bevindt, en wij alleen maar kunnen piekeren over vermoedens van zingeving die onze pet te boven gaan terwijl we onontkoombaar op onszelf aangewezen zijn. Wellicht zijn de zinvolle antwoorden dan uiteindelijk ook alleen in onszelf te vinden.